Deelnemers
• Twee categorieën: groep 5/6 mixed en groep 7/8 mixed.
• Drie spelers per categorie gaan naar The Final.

Speelveld, speeltijd & materiaal
• Er wordt gespeeld op door de organisatie beschikbaar gestelde schaakborden (inclusief schaakstukken).
• Speeltijd: 10 minuten per partij.
• Er wordt gespeeld in poules.
• Wanneer een speler niet op tijd aanwezig is, verliest hij/zij de wedstrijd na 4 minuten.

Spelregels
• Leg het bord zo dat de speler met de witte stukken linksonder, het zwarte veld A1 heeft liggen.
• Plaatsing schaakstukken op het bord:
WIT  /  ZWART -  Stukken
A2 t/m H2  /  A7 t/m H7 -  Pionnen
A1 en H1  /  A8 en H8  -  Torens
B1 en G1 /  B8 en G8  -  Paarden
C1 en F1  /  C8 en F8  -  Lopers
D1  /  D8  - Dame
E1  /  E8  - Koning

• Eerstgenoemde op de wedstrijdkaart speelt met WIT en doet de eerste zet
• Geen stuk kan verplaatst worden naar een veld waarop een stuk van dezelfde kleur staat
• Als een stuk op een veld is losgelaten, dan mag het niet meer naar een ander veld worden verplaatst, dus verzetten is spelen 

Loop van de stukken
• PION: gaat 1 veld of (vanaf beginstand) 2 velden vooruit, slaat schuin vooruit, mag nooit achteruit, verandert aan de overkant naar keuze in dame, toren, loper of paard (promoveren), mag de pion van de tegenstander, direct nadat deze een dubbele stap heeft gedaan, slaan alsof deze een enkele stap heeft gedaan (en passant slaan)
• PAARD: gaat en slaat in een “L” (twee velden recht, één opzij) in alle richtingen, kan als enig stuk over andere stukken springen
• LOPER: gaat en slaat diagonaal (schuin), mag in één zet zoveel stappen doen als mogelijk, blijft altijd op de kleur waarop hij is begonnen.
• TOREN: gaat en slaat recht naar voren, achteren en opzij (nooit schuin), mag in één zet zoveel stappen doen als mogelijk
• DAME: mag alles wat loper en toren mogen
• KONING: mag één stap doen in alle richtingen (recht en schuin, voor- en achteruit), mag ook slaan, kan niet geslagen worden, tussen de koningen blijft minimaal één veld tussenruimte

Einde van de Partij
• Als de tegenstander het opgeeft
• Beide spelers, dit tijdens de partij overeenkomen (remise)
• Dezelfde stelling driemaal op het schaakbord tot stand komt of is gekomen (remise)
• Wanneer de tijd van de betreffende wedstrijd is verstreken

Puntentelling
• Na de speeltijd worden de geslagen stukken geteld, per stuk worden de volgende punten toegewezen: 1 punt = pion, 3 punten = paard en loper, 5 punten = toren, 9 punten = dame.
• De opgetelde punten leiden tot een winnaar. In de poule worden dan de volgende punten toegekend: winnen = 3 punten, verlies = 1 punt en remise = 1,5 punt
• In de poule wordt bij gelijk eindigen van nr. 1 en 2 of 2 en 3 gekeken naar het onderlinge resultaat. Wanneer door 3 of meer leerlingen gelijk zijn geëindigd wordt er geloot.  
• Tijdens de kwartfinale, halve finale en finale wordt bij een remise geloot. 

Schaaktermen
• Rokade: is een zet met de koning en de toren. De koning twee velden opzij + toren eroverheen en ernaast. Rokeren mag alleen als;
o De koning en de toren niet van hun plaats zijn geweest
o De koning niet schaak staat
o De koning niet door schaak gaat
o De koning niet schaak komt te staan
o Als er geen stuk tussen koning en toren staat
• Schaak staan en schaak opheffen: Je staat schaak als een stuk van de tegenstander jouw koning aanvalt. Je moet het schaak opheffen door;
o Weg te gaan
o De aanvaller te slaan
o Er een stuk tussen te plaatsen
Je mag door een eigen zet nooit schaak komen te staan en de koning kan niet gedekt worden
• Schaakmat: de koning staat schaak en je kunt het schaak niet opheffen, is het einde (en het doel) van het spel, als je schaakmat (of kort: mat) staat heb je verloren
• Pat: je staat niet schaak, maar kunt geen enkele zet meer spelen, het is gelijkspel (remise) en het spel is afgelopen

Tips
• Opening: speel pion naar het centrum (midden van het bord), speel lopers en paarden uit hun beginopstelling (ontwikkelen), zet de koning veilig (rokeren)
• Aanval: een stuk kijkt naar een stuk van de tegenstander (kan slaan)
• Verdediging: weggaan (tegenstander kan niet meer slaan), zelf de aanvaller slaan, er tussen plaatsen (tegenstander kijkt nu naar gedekt stuk van mindere waarde), dekken (zorgen dat je kunt terugslaan)

Bij regels die niet vermeld staan, beslist de wedstrijdleiding
De officiële schaakregels van de KNSB gelden naast deze aangegeven regels

Heeft u het antwoord gevonden?